Als de nacht de zee wordt
In een schacht in een grot in een berg waar
water zich al eeuwenlang heeft verborgen
is alles goud of lamplicht dat er schittert als
ik met toegeknepen ogen naar binnen treed.
Onder de panterhuid het pantervel zo gespannen
dat ik er een tent van zou kunnen maken en daar
in een warme winter onder zou kunnen slapen.
Met geweer op lange latten achter ijsberen aan.
Het schip ingevroren en de honger ondraaglijk
geworden terwijl de lading uit vaten rum bestaat
en ik weet dat ijsberen vol antivries zitten
in hun oude taaie vlees en het heldere bloed
dat de gestroopte huid in de sneeuw achterlaat.
Uit de berg en grot en schacht stroomt water
dat binnen een seconde steen wordt en glinstert.
Vissen die in een oogwenk hun eigen fossiel zijn.
Of steen ooit weer zachter wordt dan ijsbeervacht.
En of de sneeuwluipaard dan ook weer levend is.
Jacobus Bos
1943
Jacobus Bos debuteerde als dichter in 1987 met Mijn blauwe evenbeeld en deze bundel werd genomineerd voor de eerste C. Buddingh'-prijs. Sinds Wie vliegt die vliegt (2002) publiceert hij zijn poëzie bij Wereldbibliotheek.