Tegen het licht
In het stof en door het stof en uit het stof
gekropen als adem tegen een ijskoud raam
waar een vinger zich een weg zoekt in de mist
die zojuist het warme lichaam heeft verlaten.
Die voor het eerst zijn naam leert schrijven.
Die dwaalt en dwaalt voor hij zichzelf vergeet.
De kamer achter zich vergeet en het raam
dat zich nog altijd dicht heeft gepleisterd.
Waar het bijna lopend water was geworden.
Bijna een spiegel van de zon was geworden.
Bijna tranen of speeksel of geruisloze regen.
Niets dat hem leert om zichzelf te worden.
Niets dat mij weerhoudt om mijzelf te worden.
Later zal het ons allemaal duidelijk zijn.
Als de mist die de fluitketel maakt verstilt.
Vage nevel warm en koud door de kamer.
Later valt het zwijgen mij zwaar en zwijg ik
omdat ik daar geen enkele reden voor weet.
Jacobus Bos
1943
Jacobus Bos debuteerde als dichter in 1987 met Mijn blauwe evenbeeld en deze bundel werd genomineerd voor de eerste C. Buddingh'-prijs. Sinds Wie vliegt die vliegt (2002) publiceert hij zijn poëzie bij Wereldbibliotheek.