Razzia van Rotterdam, 10 november 1944
Voor Thijs van der Veeke (1921-2007)
Opgepakt op een natte novemberochtend,
machinepistool in je rug, razzia aan de Randweg
Een paar minuten eerder dacht je nog
dat regen die dag de ergste tegenslag zou zijn
Chaotische tocht door bekende straten
Schoten, rennende vrouwen, toegestoken tassen,
terwijl jij niet wist hoe je moest kijken
Een harde grijns kon van levensbelang zijn
Samen met je broers afgevoerd naar het stadion
Op de eerste ring dreigende mitrailleurs
Jouw grap: stonden we eindelijk opgesteld
in de Kuip, gebeurde het door de Duitsers…
Daarna de koude tocht naar de Nassaukade
waar grauwe rijnaken klaar lagen
Steeds honderd man als bulkgoed het ruim in,
de nacht in: zitten, staan, of toch op de hurken?
Nooit vergat je in je verhalen de dode
van die dag, een man duwde het scheepsluik open,
kreeg een schot door zijn hoofd, viel van de ladder,
bloedde dood, ze lieten hem liggen, liggen…
Van Amsterdam via Kampen naar Bentheim
Koolsoep, luizen, dysenterie, hakken in bevroren grond
Snelle lessen in overleven: op tijd vertragen, alles eten
wat eetbaar is en niet vertrouwen op de hemel
Vlucht uit Bremen, artillerievuur, Engelse
infanteristen wezen de weg, je doorkruiste
Duitse dorpen als overwinnaar, vrijheid was
een gulzig beest dat iedere horizon verslond
De oorlog zat bij ons aan tafel, je vertaalde verre
gestolen dagen, alsof het om een avontuur ging
Pas jaren later hoorden we het luiden van klokken
ondergronds en het huilen, het ijlen van de doden