Rotterdam vertrekt
VI
Een kolossale streep door mijn afzondering
de zaterdagochtend met zijn natte haren
Trams beklimmen knarsend de bruggen
Hoe kan de stad plotseling opstaan, opengaan,
zich uitstrekken tot ver voorbij mijn herinnering
Het gezwoeg van rijnaken
over de glasscherven van de Maas
Mijn moeder verbergt haar afkeer
van slordige golven en schepen
Mijn vader wijst naar vroeger
Eindpunt de schuifelende markt
Boven het geroezemoes uit
de holle, hese stem van de Viskoning
Vis? Ik zie vogels verstijven in ijs
Hoor bloemen janken in hun emmers
XV
Onze stemmen zwerven hol door het huis
Hortend en stotend trekt de kou
door lege kamers
Buiten concentreer ik me
op mijn voetstappen in de sneeuw
En op de stijfheid van de dag
Een schelle wind blaast ons vooruit
Op weg naar station Zuid
probeer ik nog altijd te ontsnappen
Maar als de bevroren trein
met ons afbuigt zie ik Rotterdam vertrekken
Stipjes in de verte worden wij
Uit: Rotterdam vertrekt, 2010